Barbertje versus Lothario

Dekker.jpgTaal is soms een eigenaardig iets. Ik moest daar weer aan denken toen ik de ‘Vrije Tribune’ van Freya Piryns in De Standaard van vandaag las. Ik wil niet op de inhoud ingaan, maar het wel hebben over een beeldspraak die al jaren gebruikt wordt. In haar tekst heeft Piryns het over “Barbertje die moet hangen.” Heel veel mensen heb ik die uitdrukking al horen gebruiken, maar ik heb nooit begrepen hoe die uitdrukking in onze taal is terecht gekomen.

Immers, Barbertje komt voor in ‘Onuitgegeven toneelspel’ dat het bekende boek Max Havelaar van Eduard Douwes Dekker voorafgaat. Alleen,… in die parabel staat niet Barbertje terecht, maar wel Lothario. Hij wordt er van beschuldigd Barbertje vermoord te hebben. En daarop staat de doodstraf. In zijn verdediging vraagt hij ondermeer om getuigen die kunnen bevestigen dat hij een “edel mens” is. En dat is volgens de rechter, die enkel op een veroordeling uit is, eigenwaan. En ook op eigenwaan staat de doodstraf. Als dan Barbertje levend en wel in de rechtszaak opduikt, wordt Lothario alsnog ter dood veroordeeld. Niet voor moord, maar wel wegens eigenwaan. Kortom, niet Barbertje, maar Lothario moet hangen.

 

Dus vraag ik me nu al jaren af waarom we altijd zeggen: “Barbertje moet hangen”? Is er iets fout gegaan in de overlevering van de het verhaal van Multatuli? Of is er een bepaalde reden waarom we de uitdrukking ‘Barbertje moet hangen’, gebruiken? Wie het weet, mag me steeds een e-mailberichtje sturen met de reden. In het belang van mijn gemoedsrust. 😉